'Ik ben anders'
Het verhaal van Loek
In de loop van mijn leven werd de grondtoon die mijn levensinstelling bepaalde steeds duidelijker: 'Ik ben anders.' Dat is de prenatale basisboodschap, die ik vanaf mijn prille jeugd in hoofdletters en in boogvorm op een guirlande geschreven boven mijn hoofd zou kunnen zetten. Anders dan de rest van het gezin, anders dan de andere mensen. Bij mij overheerste het gevoel dat ik er niet bij hoorde.
'Ik ben anders.' Maar dat is ook de tekst die mij, als zevende kind uit een groot rooms-katholiek Brabants arbeidersgezin, iedere keer weer de impuls gaf om ondanks alle tegenwerking aan mijn eigen ideeën vast te houden - als ik daar maar vurig genoeg in geloofde - en zonodig dwars tegen de gevestigde orde in te gaan. Ik was immers 'anders' en hoefde me dus niet te conformeren aan het gezin of de cultuur waarin ik leefde ...
Deze 'Ik ben anders'-tekst veroordeelde me vaak tot een geestelijk isolement, maar stimuleerde me ook om dit anders-zijn positief te gebruiken en daardoor, soms met de moed der wanhoop, wegen te bewandelen die niet door iedereen werden begrepen en zeker niet altijd voor de hand lagen.
'Ik ben anders' betekende voor mij dat ik mijn hele wezen moest gebruiken om die tekst, die ik - in het begin onbewust - als een soort innerlijke opdracht had aanvaard, in de realiteit waar te maken. Dat betekende ook knokken op alle mogelijke fronten, knokken om in deze tijd een eigen plekje te verwerven in de maatschappij.
Nu ik terugkijk vallen er natuurlijk een heleboel puzzelstukjes op hun plaats en kan ik de belangrijkste gebeurtenissen in mijn leven beter begrijpen. Op het moment dat die dingen gebeurden zag ik er natuurlijk nog geen lijn in en kon ik ook nog geen verbanden leggen. Dat is echt iets van de laatste jaren.
Ik heb me werkelijk van jongs af aan 'anders' gevoeld. Dat was een hele grote frustratie voor me, en ik denk dat ik me vooral later in mijn leven op de holistische psychologie en de processen van bewustwording heb gestort om door het werken met anderen mezelf ook beter te leren kennen en begrijpen. In die zin is mijn anders-zijn een enorme stimulans en de eigenlijke drijfveer in mijn leven geweest. Dat is het positieve aspect van mijn frustratie!
Ik was het zevende kind en de zesde jongen die in het gezin werd geboren. Mijn moeder had vanaf het eerste moment dat ze in verwachting was van mij het idee dat het een meisje zou zijn, want de dracht was totaal anders.
Alle jongetjes die ze had gedragen, waren nogal wild. Ik was heel rustig. Op een dag kwam er een zigeunerin langs de deur en die zei tegen mijn moeder: 'Zo vrouw, je bent zwanger en ik kan je zeggen dat het een meisje wordt .…..' Mede daardoor raakte mijn moeder zo overtuigd dat er inderdaad een meisje zou komen, dat ze het wiegje, dat al jaren lang blauw bekleed was geweest, roze is gaan bekleden.
Toen werd ik geboren. Toch een jongetje dus, maar wel iemand die zich altijd 'anders' heeft gevoeld. Dit verhaal heeft mijn moeder me zelf verteld en het is voor mij de doorslaggevende reden geweest om een diepgaand onderzoek te ondernemen naar de effecten van deze en soortgelijke voorgeboortelijke programmeringen ofte wel prenatale teksten. Ik ben er
van overtuigd geraakt, dat de manier waarop de moeder denkt en in het leven staat tijdens de zwangerschap wordt doorgegeven aan het kind. De gevoelswereld van de moeder in de prenatale periode krijgt als het ware een omslag in de realiteit. Die 'tekst', dat basisgevoel dat zij had - deze baby is 'anders' - heb ik als basistekst in mijn leven van haar meegekregen en
is in die zin dus in de realiteit 'teruggekomen, omdat ik die tekst ook daadwerkelijk ben gaan waarmaken. Als extra lading kwam daar nog bij dat ze, zoals ze mij later vertelde, het sterke gevoel had dat ze een bijzonder meisje zou krijgen, iemand aan wie vooral zij veel zou hebben.
Ook die overtuiging is uitgekomen, want ik kreeg een bijzondere band met mijn moeder, waardoor ik dingen voor haar deed die geen van mijn andere broers voor haar zou doen.
Ik sprong vooral in de bres wat het huishouden betreft. Ik zie ons nog samen al die paren schoenen poetsen ... wel vijfentwintig paar.
Zij wreef de schoenen in en ik moest ze als kind dan uitpoetsen. Samen met mijn moeder zat ik zo de schoenen van iedereen te poetsen. En maar praten en praten. Zo hoorde ik nog eens wat. Over seksualiteit bijvoorbeeld, waar ze nooit iets aan vond en wat ze enkel als een huwelijksplicht zag. Zulke dingen vertelde ze mij toen ik een
jaar of tien à elf was. Ze deed altijd een beroep op me. Zelfs toen ik het huis al uit was en in het onderwijs zat en er getrouwde broers en schoonzussen op bezoek kwamen, vroeg ze met een soort vanzelfsprekendheid waar niet aan te tornen was: 'Zet jij de koffie? Maak jij iets van het eten?' Ja. ze heeft inderdaad veel aan me gehad ...I
Ik realiseerde me zo rond mijn derde en vierde levensjaar, dat ik niet zo was als mijn broers en zusjes of als andere kinderen uit de buurt. Net of ik in een mij wezensvreemd gezin was beland. Of de ooievaar me per ongeluk op een verkeerd moment uit z’n snavel had laten vallen.
Mijn vroegste herinnering is, dat ik naar de kleuterschool ging. Wij woonden buiten het dorp en op mijn weg naar school kwam ik langs een heel mooi, deftig huis, met een hek eromheen en een poort ervoor. Ik weet nog dat ik met mijn rug tegen het hek ging staan, mijn ogen dicht deed en dan fantaseerde dat ik vanuit dat huis en dat milieu naar school ging. Ik weet zelfs ook nog, dat ik een soort tinteling door me heen voelde gaan, die ik nu zou omschrijven als energie opladen.
Dat was het eerste. In datzelfde jaar kreeg ik de kleren van een jongetje uit een gegoede familie,
die zo'n maand of vier ouder was dan ik. Hij was het zoontje van de baas van mijn vader en die mensen hadden het financieel beduidend beter dan mijn ouders. Ik was het zevende kind in de rij, dus de kleren werden voor de een na de ander vermaakt, tot het niet meer ging en dat was zo'n beetje als ik aan de beurt was. Ook daardoor werd ik een gigantisch buitenbeentje. Ik was een jongetje uit een boerenfamilie en ik had matrozenpakjes en lakschoentjes aan. Dat kon helemaal niet, dus werd ik het mikpunt van spotternij. Andere kinderen hadden het altijd op mij gemunt. De hele lagere-schooltijd door werd ik in elkaar getrimd. Kleren kapot gescheurd en in het prikkeldraad gegooid, want ik hoorde er niet bij.
Dat gevoel werd nog versterkt toen op school het beroemde bijbelverhaal werd verteld van Jozef en zijn broers. Ik identificeerde me zo met die arme Jozef dat ik er helemaal depressief van werd. Ik zag de bui al hangen. Ik was er absoluut van overtuigd dat ik in een put zou worden gelazerd of dat ik zou worden verkocht. Ik zag al die oudere, grotere en sterkere broers om mij heen en ik voelde me bedreigd. Zou ik door die houding, die onbewuste slachtofferrol, zelf een deel van het noodlot over me hebben afgeroepen? Je zou het haast zeggen, want vanaf mijn vijfde tot mijn elfde, twaalfde jaar ben ik systematisch door enkelen van mijn broers verkracht. Dat ging met fors geweld. Mijn hoofd werd in het kussen gedrukt en er werd met nog meer geweld gedreigd voor het geval ik. iets aan iemand zou vertellen. Op een gegeven moment ga je zoiets accepteren als een voldongen feit. Er is zelfs een periode geweest dat ik absoluut zeker wist dat dit normaal was. Dat het overal gebeurde, in alle gezinnen. Dat je een soort proefkonijn bent voor je broers, die door hun leeftijd op het punt stonden verkering te krijgen. Op een bepaald moment, ik zal toen in de vierde klas van de lagere school hebben gezeten, kreeg ik
door dat ik me op een bepaalde manier kon onttrekken aan wat er fysiek met me gebeurde. Hoewel ik natuurlijk heel erg bang was, kon ik doen of het me totaal niet raakte. Dat was voor mij een vorm van macht Ze konden met me doen wat ze wilden, maar ze hadden er geen lol aan, want mij bereikten ze niet. Dat was mijn manier om mijn diepe minachting voor hen te laten zien.
Al die gebeurtenissen draag je als een soort diep mysterie met je mee. Een mysterie dat nog een extra lading krijgt, doordat ik ook in het gezin door die betreffende broers 'gewoon' werd gepest. En niet zo'n klein beetje. Zo had ik bijvoorbeeld een lievelingspoes die echt van mij was en altijd bij mij op schoot lag. Op een dag kom ik uit school en ik zie dat iemand mijn poes aan het mattenklopperrek had opgehangen. Een van mijn broers had dat gedaan, als wraak omdat die poes een jonge duif van hem had gepakt. Toen schoot er door mij heen: als ik iets vertel over wat hij met mij doet gaat hij mij ook ophangen. Een vreselijke angst was dat. Nog een voor
beeld: in het najaar, meestal in november, werd er - net als bij de meeste boerenfamilies - ook bij ons thuis geslacht. Dat geslachte varken moest dan in de bijkeuken hangen op een ladder.
Daar was ik echt als de dood voor. Ik vond het al heel eng dat zo’n beest werd geslacht en ik moest er langs naar boven om op de gemeenschappelijke slaapkamer te komen. Op een avond durfde ik niet naar bed en een broer van mij had dat feilloos in de gaten. Hij pakte me onverwacht en duwde me zo in dat varken dat daar geslacht op die ladder hing. Die lucht van dat afgestorven vlees ... Ik weet nog dat ik een soort oerschreeuw gaf en toen verstijfde. Mijn moeder gaf die broer een klap waardoor hij mij losliet en toen stond ik op het punt
om alles eruit te gooien. Ik draaide me om en keek even in de ogen van die broer ...
Dat zijn dan van die momenten dat je ineens kortstondig een soort innerlijke moed krijgt om het zwijgen te doorbreken, terwijl meteen daarop die oude angst terugkomt en je dus je mond houdt.
Bij mij overheerste het gevoel van: jullie zijn beesten, grof en cru. Maar wat er ook gebeurt, mij bereik je niet. Ik sloot me als in een soort overlevingsmechanisme af voor alle vormen van agressie en geweld. Toch zijn er ook in die periode positieve momenten geweest. Onverwachte steun kreeg ik van een kluizenaar die zo'n vijfhonderd meter bij ons huis vandaan woonde. Zo'n vrijgezel die elke dag bij ons thuis even een bakje koffie kwam drinken. Hij was een van de weinigen die het verdriet in mij zag en herkende. Soms liep hij voorbij en gaf me alleen maar een
klopje op mijn schouder. Of hij aaide me over mijn kop en zei: 'Jou krijgen ze niet kapot.' Dat is een zin die ik als muziek mijn leven lang met me meegedragen heb: jou krijgen ze niet kapot. Die man heeft mij, zonder dat hij het waarschijnlijk wist, hoop gegeven en geïnspireerd. Nu zou ik zeggen: hij is een onbekende meester, een soort goedheiligman voor me geweest.
De enige plek waar ik me veilig voelde, was in de klas op school. Daarom ging ik graag naar school. Het was altijd weer een ramp om naar huis te gaan. Daar vond ik het leven grof, afstandelijk en angstig, heel angstig…Achteraf snap ik nog niet dat niemand ooit iets heeft gemerkt. mijn moeder of mijn onderwijzer bijvoorbeeld.
Enfin, ik hoorde dus duidelijk niet bij het gezin. Ik was anders. Ik fantaseerde voor mezelf dat ik dan misschien per ongeluk in het verkeerde gezin was terechtgekomen, maar dat ik er wel was met een bepaalde opdracht. De opdracht die ik voor mezelf creëerde was verfijning aanbrengen in dat gezin. Dat heb ik ook daadwerkelijk en heel praktisch gedaan. Op de zondagen bijvoorbeeld gingen we eerst naar de kerk en dan samen ontbijten. Het servies dat nooit werd gebruikt. haalde ik uit de kast en ik dekte de tafel, compleet met een bloemetje en dergelijke. Ik moest mijn moeder wel beloven om ook zelf alles af te wassen, want met tien kinderen zag zij dat niet zitten. Daar werd, vooral door mijn broers, ontzettend flauw over gedaan. Opmerkingen als 'belachelijk', 'je bent toch geen wijf' of 'wanneer gaan we nou eindelijk vreten' waren niet van de lucht. Maar ik heb toch doorgezet en later ging ik me ook met het eten bemoeien. Dat alles bleef agressie oproepen, maar ik ging toch door ...
Zo klein en zo beschadigd als ik was, ik bleef mijn eigen weg gaan. Ik wilde me met alle kracht die in me was ontworstelen aan dat gezin en dat milieu dat me zo vernederde.
Toen ik in de zesde klas van de lagere school zat, werd ik automatisch in de rij voor de Lt.s. gezet. Ik koppelde - en dat zegt misschien ook iets over mijn eigen arrogantie - de Lt.s. aan de mentaliteit van mijn broers. Dat wilde ik niet. Ik wilde absoluut niet naar die school.
Indertijd moest je, als je naar het voortgezet onderwijs wilde, een toelatingsexamen doen. Daarvoor kreeg je op de lagere school wat bijlessen in Frans en dergelijke waar wel apart voor moest worden betaald. Toen ik dus tegen het hoofd van de school zei dat ik op bijles wilde, zei hij dat hij thuis wel eens een keertje zou komen praten. Tegen mijn moeder heb ik toen alleen maar gezegd: 'Ma, de meester komt praten, want ik ga naar de mulo.
' Ja jongetje,' zei ze, 'jij gaat naar de mulo'.
En de meester kwam (ik lag stiekem op zolder het gesprek af te luisteren) en ik hoorde hem tegen mijn moeder zeggen dat ik zo'n verwaand manneke was en dat het gezin toch eigenlijk best een goede timmerman zou kunnen gebruiken...
Godzijdank liet mijn moeder zich niet ompraten. 'Hij wil naar de mulo', zei ze, 'en als hij dat echt wil, moet hij een kans krijgen. Hij betaalt z'n bijlessen zelf door melkmonsters te nemen bij de boeren. ' Die meester negeerde mij vanaf dat moment en liet mij doodleuk in de Lt.s.-rij zitten. Ik bleef wel op bijles, want daar betaalde ik voor, maar ik kreeg nooit een beurt. Toen ik eindelijk toelatingsexamen voor de mulo deed, werd ik aangenomen! Ik dus vol triomf naar dat hoofd van de school, zwaaiend met die brief en zijn enigé commentaar was: 'Toegelaten worden stelt niks voor; te kunnen blijven, daar gaat het om. '
Toen ik dan ook in het eerste jaar van mulo bleef zitten, werd ik meteen 's zondags na kerktijd door die man aangesproken met: 'Tja. dat komt ervan als je niet luistent naar mensen die er echt iets van af weten. ' Terwijl ik gewoon was blijven zitten door een enorme taalachterstand, omdat er in ons milieu alleen maar dialect werd gesproken. Ik dacht in dialect en ik schreef in dialect
Toen ik net naar de mulo ging, veranderde er iets rigoureus in ons gezinsleven. Er kwam een tv in huis. Dat betekende, dat om acht uur de goegemeente binnenkwam en de huiskamer, waar ik ook moest studeren, vol was. Omdat ik na schooltijd mijn moeder bijsprong in het huishouden, had ik 's avonds pas tijd om mijn huiswerk voor school te maken.
Maar mijn broers pakten mijn spullen op en gooiden ze allemaal in de keuken. Zo'n typische boerenkeuken, die in open verbinding stond met de stal. In de zomer was dat geen probleem, maar 's winters was het daar niet te houden. Ik heb daar wel eens heel moedeloos zitten huilen, omdat ik het allemaal niet meer zag zitten. Het was op een van die avonden, toen ik daar helemaal in tranen zat en ik bovendien de wiskundeopgaven niet begreep, dat die kluizenaar van een eindje verderop binnen kwam. Hij legde zijn hand op mijn schouder en zei toen iets in de trant van: 'Hou vol, manneke, hou vol. Er komt een moment, dat ze jou om raad komen vragen.' Ik was heel geëmotioneerd en voelde tegelijkertijd een nieuw soort innerlijke kracht, die bijna een overtuiging was. Ik zal ze straks verdomme een poepje laten ruiken, schoot het door me heen.
Dat soort gebeurtenissen hield me op de been. Maar er gebeurde nog iets.
Een wonder eigenlijk.
Wij woonden nogal buitenaf en op een dag klopte er een wildvreemd echtpaar na een wandeling bij ons aan voor een glaasje water. Ze zagen eruit als wat sjiekere mensen en ik keek naar hen alsof ze van een andere planeet kwamen. Ze waren zo verzorgd gekleed en ze spraken zo mooi! Ik zat helemaal te zwijmelen en dat zagen deze mensen, waarop die vrouw ineens tegen me zei: 'Zou je het leuk vinden om in Amsterdam eens op vakantie te komen?'
Dat was natuurlijk helemaal te gek en er werd meteen aan tafel geregeld dat ik een week later naar Amsterdam zou gaan.
Ik hoorde hen zeggen dat het niets hoefde te kosten en dat ze eventueel ook nog wel het treinkaartje voor mij zouden betalen.
Ik weet nog steeds niet waarom dat is gebeurd. Nu denk ik dat het een soort externe gidsen waren, die op mijn pad zijn gebracht ...
Het was heel onwezenlijk voor me om echt met de trein naar Amsterdam te gaan. Toen ik bij het Amstelstation. werd afgehaald door die meneer en mevrouw werd ik begroet met een kus. Nou, ik had een kop als een boei, dat kun je je voorstellen. Ze bleken in een heel mooi bovenhuis te wonen, heel smaakvol ingericht. Op een bepaald moment zag ik dat de tafel werd gedekt, waarna die mevrouw zei: 'Kom, we gaan aan tafel.' Ik zei dat ik geen honger had, want wat ik allemaal zag overweldigde en beangstigde me. Van die glazen dingen, waar een mes op lag en dergelijke. Toen wist ik natuurlijk nog niet dat het messenleggers waren. Die mevrouw had in de gaten wat er aan de hand was. Ze kwam naast me zitten op de bank, sloeg een arm om me heen en zei: 'Vind je het misschien leuk om te leren hoe je een tafel moet dekken?'
Ik kon alleen maar ja knikken. De tafel werd vervolgens weer helemaal leeg geruimd en ze ging me precies uitleggen hoe je een tafel moest dekken, waar je rekening mee moest houden enzovoort.
Drie weken lang ben ik daar die eerste keer geweest. In de jaren daarna tot mijn achttiende - was ik alle vakanties bij hen. Daar vond voor mij een totale heropvoeding plaats.
Het was voor mij steeds weer een verademing om er te zijn en het liefst wilde ik daar blijven. Ik durfde die mevrouw van alles te vragen en te zeggen. Er werd me beschaving bijgebracht - waar ik zo naar smachtte - en ik kreeg bovendien een andere naam. Ik heette eigenlijk Leo (een naam
die ik altijd had verafschuwd) en zij gaven me een soort koosnaampje: Loek.
Dat gebeurde heel spontaan en het is nooit meer veranderd. Die naam ben ik sindsdien altijd blijven gebruiken.
Het naar huis gaan was iedere keer weer een drama voor me. Voora1 omdat ik thuis in praktijk bracht wat ik in Amsterdam had geleerd. Daarmee had ik de poppen natuurlijk aan het dansen. Ik weigerde bijvoorbeeld van het ene op het andere moment mijn eten uit een en hetzelfde bord te eten, dus dekte ik heel demonstratief dubbel voor mezelf, compleet met bestek. Plat bord onder, het diepe er bovenop. Dat gaf me in het gezin een hilariteit en een schampere opmerkingen, niet mooi meer. Als ik aan tafel ging zitten stelde ik mezelf als verdediging voor dat ik een glazen stolp om me heen had met aan de onderkant een klein houtje, zodat ik niet zou kunnen stikken. Tot m'n zestiende of zeventiende, toen ik het huis uit ging, heb ik dat volgehouden. Als het allemaal te moeilijk werd, ging ik gewoon onder die glazen stolp zitten met de overtuiging: wat jullie ook met me uithalen, het deert me niet.
Dat bleef zo, tot die keer dat mijn ouders op een zondag naar de kerk waren en mijn broers tegen me begonnen te vloeken en me bedreigden. Ze vonden me een profiteur en ze vertikten het om zich kapot te werken voor mijn studie. Ze bleven maar doorgaan en op het laatst kreeg ik een enorme woedeaanval en gilde: 'Niemand van jullie hoeft voor mij te werken en niemand van jullie hoeft een cent voor mij te betalen! Ik betaal m'n studie zelf! '
Ik ging de deur uit en heb een hele tijd door de polder gezworven. Ineens dacht ik aan mijn oom, de antiquair, die me goed gezind was. Die man had voor mijn gevoel ook met verfijning te maken en dat sprak mij heel erg aan. Toen mijn broers 's middags naar hun vriendinnen waren heb ik hem opgebeld, hem de zaak zo rustig mogelijk uitgelegd en gevraagd of hij me wilde helpen. Dat heeft hij gedaan. Via zijn boekhouder regelde hij dat ik een studiebeurs kreeg. Daarnaast is hij met me gaan bekijken wat ik zelf zou kunnen bijverdienen. Ik ben de administratie voor een rijschool gaan bijhouden, voor een regionaal krantje maakte ik de sportberichten en zo sprokkelde ik links en rechts mijn centen bij elkaar. Ik heb woord gehouden. Ze hebben van thuis geen cent meer hoeven te betalen. Na de mulo ging ik het huis uit, want ik wilde het onderwijs in (hoewel ik ook wel toneelspeler had willen worden) en de kweekschool was intern. Gek is dat ... Hoewel ik wist dat het thuis 'prut' was - om het zo maar eens te zeggen - had ik toch last van een heel diep gevoel van heimwee. Dat heeft een aantal maanden geduurd en steeds weer moest ik tegen mezelf zeggen: Je weet wat je te wachten staat als je naar huis terug gaat. Ik heb het daar heel moeilijk mee gehad.
Zo zie je maar: zelfs negativiteit kan iets heel vertrouwds hebben. In die periode heb ik ook voor het eerst de directe nabijheid van een geestelijke gids ervaren. 's Nachts, als ik niet kon slapen en voor het raam stond, voelde ik ineens dat er iemand naast me stond. Als ik de lamp aandeed, was die verschijning weg en als ik de lamp weer uitdeed, was hij er weer. Ik was er heel bang voor, want ik wist immers niet wat het was ... Nu weet ik wel beter. Maar wel werd ik bevestigd in mijn gevoel van: je bent anders, dus doe er wat mee!'
Ik had het niet makkelijk op de toenmalige kweekschool. Met moeite, hard werken en op mijn tenen lopen wist ik vijfjes en zesjes bij elkaar te schrapen. Tot ik in het derde jaar psychologie en pedagogiek kreeg. Vanaf dat moment maakte ik met mijn resultaten reuze sprongen naar achten en negens. Dat waren vakken die me op het lijf geschreven waren. Die vakken inspireerden me en mijn studie ging bijna als vanzelf. Ik zat in de redactie van het studentenblad, ik ging schrijven en zo ontdekte ik langzamerhand mijn persoonlijke talenten en kwaliteiten.
Er kwam in mijn leven nog een fase die heel veel indruk op me heeft gemaakt en waarin heel veel gebeurde. Dat was het stervensproces van mijn vader. De man met wie ik hoegenaamd geen relatie had, omdat hij in mijn ogen hoorde bij dat grove milieu dat niet deugde.
Ik zag mijn vader als iemand die nooit enige tederheid had laten zien, seksualiteit een huwelijkse plicht vond voor de vrouwen mijn moeder keer op keer zwanger maakte. Voor zo iemand kon ik geen respect opbrengen, terwijl ik, diep in mijn hart, dat contact met mijn vader heel graag wilde
en ook heel erg nodig had. Ik wilde echt door hem gezien worden; dat hij in de gaten had hoe hard ik werkte en hoe moeilijk ik het had.
Wij hadden thuis een hele lange tafel en mijn vader zat op een vaste plek. Ik zat meteen rechts van hem, maar het pijnlijke was dat ik met mijn linkeroog haast niets zie. Dus ik zat in een positie dat ik hem letterlijk niet kon zien, tenzij ik mijn hoofd helemaal zou draaien. Welk gebaar hij ook zou hebben gemaakt, ik zou het aan tafel nooit hebben kunnen zien.
Wat ben ik dus gaan doen in mijn leven om die intense behoefte te bevredigen? Ik ging ervoor zorgen, dat ik werd gezien!
Ik ben me pas de afgelopen jaren bewust geworden van die diepere achtergrond van mijn geldingsdrang. Trouwens, die tafelopstelling vroeger thuis - en ik heb ondervonden dat dit voor iedereen geldt - zegt heel veel over de positie die je in die groep, in dat gezin, inneemt en je eigen basisbehoefte daarin. Als er aan die basisbehoefte in dat gezin niet wordt voldaan. ga je merken dat die op andere manieren steeds in je leven terugkomt.
Ik heb ooit een droom gehad over de betekenis van dat tafelmodel en ik gebruik dat model nu nog steeds met mijn eigen studenten op de hogeschool. Ik laat het mensen gewoon tekenen. De tafel van hun vrienden, de tafel op hun werk, de tafel in hun relatie. Dan zeg ik: teken je positie, wat ben je daar, wat is je functie bij je partner, collega, vriend, vriendin? En wat is jouw eigen behoefte daarin?
Het is schrijnend om te zien dat als deze behoefte niet is bevredigd, je die constant nastreeft. Het blijkt dat acht van de tien mensen het model feilloos herkennen. De twee die het niet herkennen, vinden het misschien te bedreigend en doen het dan af met een grapje.
Maar om op mijn vader terug te komen: hij werd ernstig ziek en moest worden opgenomen in het ziekenhuis. Heel regelmatig, als er geen ander bezoek was, zocht ik hem op om hem te begeleiden waar dat mogelijk was. Ik was meer zijn therapeut dan zijn zoon, hoewel ik in het begin ook niet goed wist wat ik met hem aan moest. Hij had een lichte vorm van afasie - hij was heel vaak het woordbegrip kwijt - dus kreeg ik het idee om hem te laten tekenen. Dat vond hij eigenlijk allemaal flauwekul. Toch heeft hij een tekening gemaakt. Ik heb hem nog steeds. Wat ronde vormen in blauw, grijs en geel. Toen ik dat zag, schoot er door me heen: hij is stervende, maar hij kan niet weg! Ik zag weliswaar een tunnel, maar die was blauwen rood. Daar was niet doorheen te komen, want het was geen lichttunnel. Toen ik hem vroeg wat die tekening zou kunnen voorstellen, zei hij: 'Ons moeder, het werk en de kinderen.' Dat was alles.
Toen ik later naar huis reed, dacht ik alleen maar: durf ik het aan? Durf ik het aan met hem over zijn werk, over mijn moeder en over ons gezin te gaan praten om het zo voor hem makkelijker te maken om afscheid te nemen?
En hoe dichter ik bij huis kwam, des te sterker het gevoel werd dat er iemand naast me zat.
Net als die keer bij dat raam, toen ik nog op de kweekschool zat. Er werd als het ware tegen me gezegd: 'Dit is je laatste kans om door hem gezien te worden en hij heeft je nodig.' Ik weet nog dat ik de radio keihard heb aangezet omdat ik het allemaal van me af wilde zetten, het kwijt wilde, maar ook die 'instralingen' werden steeds indringender: 'Dit is je laatste kans om door hem gezien te worden en hij heeft je nodig!'
Toen ik eindelijk thuis kwam, kreeg ik de deur niet open. Die werd voor mijn gevoel tegengehouden, alsof die op slot was. Op dat moment werd er heel duidelijk gezegd: 'Sluiten.' Toen mijn vriend, die thuis op me zat te wachten, vroeg hoe het met mijn vader was, wist ik dat ik niets mocht zeggen; dat wat er ging gebeuren, dat contact tussen mijn vader en mij, alleen iets van ons samen zou moeten zijn. Pas na het overlijden van mijn vader heb ik mijn vriend verteld wat er allemaal was gebeurd.
De periode dat ik mijn vader begeleidde heeft zo ongeveer een half jaar geduurd. Daarin hebben we ook gepraat over die eerste tekening. Toen ik hem vroeg hoe hij 'ons moeder' zag - voor wie hij de kleur geel had gebruikt - beschreef hij die relatie als een boek dat hij al uit had. Daar was niets meer over te vertellen. Dat was goed zo. Het blauwe deel stelde het werk voor. Dat was ontzettend zwaar geweest Tijdens een agressieoefening die met zijn werk te maken had, werd hij een keer zo kwaad dat hij het achterstuk van het bed eruit heeft getrapt.
Zijn hele leven had hij me voorgehouden: je leeft om te werken. En tijdens die sessies draaide hij helemaal om en zei hij tegen me: 'Je werkt om er een beter mens van te worden. Niet om het geld. Want je kunt je boterham maar een keer beleggen, jongen. Als je het om het geld doet, word je een slaaf van jezelf. '
Voor mij waren dat heel verwarrende momenten, maar ik was tegelijkertijd van binnen ook heel blij, omdat ik echt het gevoel had dat hij er iets aan had gehad.
Na een aantal maanden stug doorwerken kwamen we bij de kinderen terecht Een voor een heeft hij ze behandeld. Hij vertelde me alles over zijn frustraties, zijn blijheid, zijn verwachtingen, zijn teleurstellingen en de adviezen die hij tijdens zijn leven eigenlijk had moeten geven maar nooit gegeven had. Dan ging ik wel eens kwaad terug naar huis, want dan dacht ik: waarom heb je dat nooit tegen die betreffende mensen zelf gezegd? Je zag het dus allemaal wel, maar je zat alleen maar te kijken.
Hij werd trouwens wel steeds rustiger. Elke keer als hij een kind had behandeld en er weer een schilletje af was, werd hij kalmer. Mij heeft hij tot het laatst bewaard. En toen was hij heel verdrietig. Hij zei heel eerlijk dat hij weinig van me begreep. Dat hij zich ook niet kon voorstellen hoe ik als man van een man kon houden. Ineens pakte hij toen mijn hand beet. De zijne voelde heel mager en tanig aan. Door mijn eigen emoties viel ik even uit m'n rol als therapeut. 'Zou je met een van de anderen willen ruilen,' vroeg hij me toen, heel in
dringend, 'met een van je broers of zussen?' Ik zei: 'Nee, pa.' Hij zei: 'Nou dan.' Het was niet belangrijk, dat hij het niet snapte. Als ik er maar gelukkig mee was ...Waar ik achteraf wel heel veel moeite mee heb, is dat ik zoveel intieme details over mijn broers en zusters te weten ben gekomen zonder dat zij het wisten. Ik kan dus in dat gezin nooit meer functioneren, want als ik een van hen nu zie, komt hun verhaal als een dia naar voren geschoven. Mijn vader is overigens in rust en vrede gestorven. We zijn allemaal een voor een op het laatste moment bij hem geweest. Hij was redelijk helder, maar verzwakte erg. Ik heb nog tegen hem gezegd dat zijn strijd gestreden was, dat hij mocht gaan en dat hij ook wist waar hij naar toe ging. Ook daar hadden we het uitgebreid over gehad. Hij wist het allemaal, want hij had zijn eigen overleden moeder al gezien. Hij liet merken dat hij ernaar verlangde en bereid was zich over te geven. Op het laatst wilde hij bidden. Toen begon mijn moeder een gebed te bidden dat ze vroeger met ons bad, toen we nog klein waren. Een heel kinderlijk gebed, maar ik vond het schitterend!
Met de laatste kracht die hij nog had, trok hij zich op aan het bed en legde zijn hoofd op de boezem van mijn moeder. Zo is hij ook gestorven. Op dat moment stond ik aan het voeteneinde van het bed en zag ik rook pluimen boven zijn hoofd. Maanden later hoorde ik van een schoonzus die er ook bij was, dat zij die rookpluimen ook had gezien. Ik denk nu dat dat het moment is geweest waarop het aardse lichaam stierf en de ziel zijn tijdelijke tehuis verliet. Ik heb mijn vader nog eenmaal gezien. Een half jaar later, tijdens een vakantie in Frankrijk. Hij stond 's nachts ineens in de deuropening van de slaapkamer. Mijn partner Peter-Jan en ik waren allebei wakker, maar ik was de enige die wat zag. Hij stond heel vriendelijk naar ons te kijken, alleen had hij geen voeten. Zijn geweldige, knoestige werkhanden waren heel mooi glad. Dat viel me echt op. Ik werd gefascineerd door die prachtige handen ... Toen wuifde hij nog een keer en was weg. De boodschap die ik daaruit opgepikt heb was: Schiet zelf niet in de valkuil, alsof het in het leven al leen maar zou draaien om werken. Zorg ervoor, dat je ook ruimte houdt voor andere dingen. Daarna heb ik hem nooit meer gezien en ook nooit meer over hem gedroomd. Voor mijn gevoel is alles wat met mijn vader te maken heeft afgewerkt en klaar.Zo heb ik gaandeweg mijn prenatale tekst 'Ik ben anders' - die ik aanvankelijk als negatief heb ervaren – kunnen omvormen tot iets positiefs voor mezelf en voor anderen. Alleen vind ik het vervelend dat het zo’n eenzame weg is. Maar dan denk ik maar weer aan een tekst waar mijn vriend Peter-Jan tien jaar geleden mee naar huis kwam: de weg is wijzer dan de wegwijzer, ofwel de reis is belangrijker dan het einddoel. En zo is het.